← terug naar blogoverzicht

Wat betekent ‘God in Nederland’ voor fondsenwervers?

god_in_nederlandChristenen zijn veruit de beste gevers van Nederland –  veel onderzoeken bewijzen dat. Maar er gaan steeds minder mensen naar de kerk, bleek onlangs opnieuw uit het onderzoek ‘God in Nederland’. Welke gevolgen heeft dit voor fondsenwerving? Aan de hand van het onderzoek kijken we of daar zinnige dingen over te zeggen zijn.

Even wat feitjes: vijftig jaar geleden noemde één op de drie Nederlanders zich buitenkerkelijk, nu is dat twee op de drie. Van de generatie na 1986 is 80 procent buitenkerkelijk. Met name in de jaren ’60 ging de ontkerkelijking snel. ‘Dit waren de jaren waarin traditie en autoriteit onder vuur kwamen te liggen’, aldus het onderzoek.

Komen mensen nog in de kerk? 18 procent van de Nederlanders geeft aan dat ze ‘regelmatig of soms’ de kerk bezoeken. Tien jaar geleden was dit nog 20 procent. Katholieken bezoeken de kerk minder dan protestanten. Buitenkerkelijken zien de kerk bijna nooit meer van binnen. ‘Het is voor hen een terra incognita geworden’, aldus het onderzoek.

De kerk legt zich daar niet bij neer, en begint op allerlei plaatsen in Nederland zogenoemde ‘pioniersplekken’. Dat zijn tekenen van hoop voor de kerk, maar ‘het pionierswerk bereikt natuurlijk lang niet alle kerkleden en de effecten en de respons zijn ook nog onduidelijk.’

Dat wil zeggen dat de kerk krimpt, en niet zo langzaam ook. Sterker nog, er is volgens de onderzoekers sprake van een ‘dubbele secularisering’: ‘Niet alleen daalt het aantal kerkleden, maar een deel van hen, met name de katholieken, hecht bovendien minder aan de christelijke geloofsvoorstellingen en kerkelijke participatievormen. Op basis van ons onderzoek is een verdere krimp van het aantal kerkleden en ook van de groep ongebonden gelovigen te verwachten, zodat het christendom steeds meer wijkt in de richting van de kleine en vaak strikte kerken.’

De onderzoekers gaan verder: ‘Het vertrouwen in kerk is laag, religie wordt meer als een privéaangelegenheid gezien en minder als een maatschappelijke factor van belang. Nederland is een postchristelijk land geworden, waar weliswaar nog substantiële groepen kerkleden en gelovigen bestaan, maar het christendom geen overkoepelend verhaal meer vormt waar een meerderheid van de Nederlanders zich naar richt en zich door laat motiveren.’

Christelijke gevers

Dit betekent veel voor goede doelen die zich met name richten op de christelijke gevers. Ten eerste wordt de vijver om in te vissen steeds kleiner: steeds minder mensen voelen hun christelijke verantwoordelijkheid om te geven voor goede doelen. Natuurlijk geven mensen buiten de kerk óók, maar uit eerder onderzoek (Prisma/Woord&Daad, 2011) blijkt dat dit om veel lagere bedragen gaat. Volgens dat onderzoek geeft een gemiddelde Nederlander 16 euro per maand en sommige christelijke groeperingen bijna 100 euro per maand.

Ten tweede lukt het kerken steeds minder om grote bedragen over te maken naar goede doelen. Ook zij krijgen minder opbrengsten uit hun collecten: hoe minder mensen er komen, hoe minder geld er in de collectezak wordt gedaan. Bovendien hebben kerken, bij een afnemend ledenaantal, een relatief steeds groter deel nodig voor hun eigen vaste lasten. De kosten voor gebouw en personeel gaan immers niet omlaag.

Ten derde krijgen minder mensen een giftvraag van een goed doel onder ogen. Uit het eerder genoemde onderzoek uit 2011 blijkt dat een oproep binnen de kerk, bijvoorbeeld in het lokale kerkblad, voor veel mensen een belangrijke trigger is om aan een goed doel te geven. Nu steeds minder mensen naar de kerk gaan, krijgen minder mensen deze oproepen onder ogen.

Het heeft ook effecten op de huidige gevers van goede doelen. Als een groter deel van hen de kerk niet meer bezoekt, worden ze ook minder vaak door hun kerk gewezen op de ‘plicht’ van de christen om voor de naaste te zorgen. Dit zal er onherroepelijk toe leiden dat mensen ook daadwerkelijk minder gaan geven.

Betrokkenheid

Maar betrokkenheid bij goede doelen gaat uiteraard verder dan alleen het bedrag dat ze overmaken. ‘God in Nederland’ heeft ook gekeken naar de vraag of geloof, en afnemende gelovigheid, invloed heeft op de mate waarin mensen sociaal betrokken zijn. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat kerklidmaatschap positief samenhangt met vrijwilligerswerk, donaties aan goede doelen en ‘andere uitingen van altruïstisch gedrag’.

Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de kerkleden vrijwilligerswerk doet. Deze percentages dalen als je kerkelijk vrijwilligerswerk niet meerekent, maar dan nog doen kerkleden vaker vrijwilligerswerk dan buitenkerkelijken. Ook zijn kerkleden vaker actief als mantelzorger. Ook zijn kerkgangers vaker betrokken bij humanitaire organisaties en doelen die het milieu en dieren beschermen.

Maar hebben deze verschillen echt met kerkgang te maken, of spelen er andere factoren een rol? Als het gaat om vrijwilligerswerk, speelt kerkgang wel degelijk een rol. Bij mantelzorg is kerkgang minder belangrijk, en zijn vooral leeftijd en opleidingsniveau van belang. Bij betrokkenheid bij goede doelen speelt kerkgang wél een rol, maar dat geldt ook voor opleidingsniveau en spiritualiteit.

Dit betekent ook dat organisaties die veel beroep doen op vrijwilligers, zoals bijvoorbeeld Stichting Present, veel meer moeite zullen moeten doen om vrijwilligers te vinden voor hun werk. De kerk is daarvoor steeds minder een automatische bron.

Het staat niet stil

Het onderzoek ‘God in Nederland’ wordt uitgevoerd sinds 1966. Sinds die tijd is de trend heel duidelijk: steeds minder mensen gaan naar de kerk en voelen zich aangesproken door de christelijke boodschap. Er is geen reden om aan te nemen dat dit anno 2016 een halt wordt toegeroepen. Het is daarom een dringende vraag voor goede doelen – de christelijke organisaties, maar ook de niet-christelijke – hoe ze met dit fenomeen om moeten gaan.

Meer Inspiratie ontvangen? Meld je dan nu aan voor de Inspiratiebrief.

1 reactie op “Wat betekent ‘God in Nederland’ voor fondsenwervers?”

  1. Natasja Andringa schreef:

    Boeiende blog en met veel interesse gelezen. Ik zou wel de volgende vergelijking anders tegenover elkaar plaatsen: ‘Volgens dat onderzoek geeft een gemiddelde Nederlander 16 euro per maand en sommige christelijke groeperingen bijna 100 euro per maand.’ Ik zou dan namelijk willen weten uit hoeveel individuen de groepering bestaat om het ten volle te duiden.

Reacties zijn uitgesloten.